to lead out
Tegenwoordige tijd (ik)leid uit
Verleden tijd (ik)leidde uit
Voltooid deelwoorduitgeleid
Volledige vervoeging van het werkwoord uitleiden: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik leid uit
jij leidt uit (inversie: leid uit jij)
u leidt uit
hij/zij/het leidt uit
wij leiden uit
jullie leiden uit
zij leiden uit
Verleden tijd
ik leidde uit
jij leidde uit
u leidde uit
hij/zij/het leidde uit
wij leidden uit
jullie leidden uit
zij leidden uit
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik uitleid
(dat) jij uitleidt
(dat) u uitleidt
(dat) hij/zij/het uitleidt
(dat) wij uitleiden
(dat) jullie uitleiden
(dat) zij uitleiden
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik uitleidde
(dat) jij uitleidde
(dat) u uitleidde
(dat) hij/zij/het uitleidde
(dat) wij uitleidden
(dat) jullie uitleidden
(dat) zij uitleidden
Gebiedende wijs
Imperatief
leid uit
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
uitleiden
Gerundium
uitleiden
Onvoltooid deelwoord
uitleidend
Voltooid deelwoord
uitgeleid
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.