Vervoeging van uitklokken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitklokken
to clock out (end work; officially record a time when one terminates a period of work)
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)klok uit
Verleden tijd (ik)klokte uit
Voltooid deelwoorduitgeklokt
Volledige vervoeging van het werkwoord uitklokken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik klok uit
jij klokt uit (inversie: klok uit jij)
u klokt uit
hij/zij/het klokt uit
wij klokken uit
jullie klokken uit
zij klokken uit

Verleden tijd

ik klokte uit
jij klokte uit
u klokte uit
hij/zij/het klokte uit
wij klokten uit
jullie klokten uit
zij klokten uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitklok
(dat) jij uitklokt
(dat) u uitklokt
(dat) hij/zij/het uitklokt
(dat) wij uitklokken
(dat) jullie uitklokken
(dat) zij uitklokken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitklokte
(dat) jij uitklokte
(dat) u uitklokte
(dat) hij/zij/het uitklokte
(dat) wij uitklokten
(dat) jullie uitklokten
(dat) zij uitklokten

Gebiedende wijs

Imperatief

klok uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitklokken

Gerundium

uitklokken

Onvoltooid deelwoord

uitklokkend

Voltooid deelwoord

uitgeklokt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.