Vervoeging van uitklappen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitklappen
to fold out
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)klap uit
Verleden tijd (ik)klapte uit
Voltooid deelwoorduitgeklapt
Volledige vervoeging van het werkwoord uitklappen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik klap uit
jij klapt uit (inversie: klap uit jij)
u klapt uit
hij/zij/het klapt uit
wij klappen uit
jullie klappen uit
zij klappen uit

Verleden tijd

ik klapte uit
jij klapte uit
u klapte uit
hij/zij/het klapte uit
wij klapten uit
jullie klapten uit
zij klapten uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitklap
(dat) jij uitklapt
(dat) u uitklapt
(dat) hij/zij/het uitklapt
(dat) wij uitklappen
(dat) jullie uitklappen
(dat) zij uitklappen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitklapte
(dat) jij uitklapte
(dat) u uitklapte
(dat) hij/zij/het uitklapte
(dat) wij uitklapten
(dat) jullie uitklapten
(dat) zij uitklapten

Gebiedende wijs

Imperatief

klap uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitklappen

Gerundium

uitklappen

Onvoltooid deelwoord

uitklappend

Voltooid deelwoord

uitgeklapt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.