Vervoeging van uitkeren

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitkeren
to pay out, to disburse
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)keer uit
Verleden tijd (ik)keerde uit
Voltooid deelwoorduitgekeerd
Volledige vervoeging van het werkwoord uitkeren: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik keer uit
jij keert uit (inversie: keer uit jij)
u keert uit
hij/zij/het keert uit
wij keren uit
jullie keren uit
zij keren uit

Verleden tijd

ik keerde uit
jij keerde uit
u keerde uit
hij/zij/het keerde uit
wij keerden uit
jullie keerden uit
zij keerden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitkeer
(dat) jij uitkeert
(dat) u uitkeert
(dat) hij/zij/het uitkeert
(dat) wij uitkeren
(dat) jullie uitkeren
(dat) zij uitkeren

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitkeerde
(dat) jij uitkeerde
(dat) u uitkeerde
(dat) hij/zij/het uitkeerde
(dat) wij uitkeerden
(dat) jullie uitkeerden
(dat) zij uitkeerden

Gebiedende wijs

Imperatief

keer uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitkeren

Gerundium

uitkeren

Onvoltooid deelwoord

uitkerend

Voltooid deelwoord

uitgekeerd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.