Vervoeging van uithouden

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uithouden
to endure
irregular separable strong
scheidbaar
onregelmatig
Tegenwoordige tijd (ik)hou uit / houd uit
Verleden tijd (ik)hield uit
Voltooid deelwoorduitgehouden
Volledige vervoeging van het werkwoord uithouden: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik hou uit / houd uit
jij houdt uit / hou uit / houd uit
u houdt uit
hij/zij/het houdt uit
wij houden uit
jullie houden uit
zij houden uit

Verleden tijd

ik hield uit
jij hield uit
u hield uit
hij/zij/het hield uit
wij hielden uit
jullie hielden uit
zij hielden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uithou / uithoud
(dat) jij uithoudt
(dat) u uithoudt
(dat) hij/zij/het uithoudt
(dat) wij uithouden
(dat) jullie uithouden
(dat) zij uithouden

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uithield
(dat) jij uithield
(dat) u uithield
(dat) hij/zij/het uithield
(dat) wij uithielden
(dat) jullie uithielden
(dat) zij uithielden

Gebiedende wijs

Imperatief

hou uit / houd uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uithouden

Gerundium

uithouden

Onvoltooid deelwoord

uithoudend

Voltooid deelwoord

uitgehouden

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.