to cough out (remove by coughing)
Tegenwoordige tijd (ik)hoest uit
Verleden tijd (ik)hoestte uit
Voltooid deelwoorduitgehoest
Volledige vervoeging van het werkwoord uithoesten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik hoest uit
jij hoest uit
u hoest uit
hij/zij/het hoest uit
wij hoesten uit
jullie hoesten uit
zij hoesten uit
Verleden tijd
ik hoestte uit
jij hoestte uit
u hoestte uit
hij/zij/het hoestte uit
wij hoestten uit
jullie hoestten uit
zij hoestten uit
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik uithoest
(dat) jij uithoest
(dat) u uithoest
(dat) hij/zij/het uithoest
(dat) wij uithoesten
(dat) jullie uithoesten
(dat) zij uithoesten
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik uithoestte
(dat) jij uithoestte
(dat) u uithoestte
(dat) hij/zij/het uithoestte
(dat) wij uithoestten
(dat) jullie uithoestten
(dat) zij uithoestten
Gebiedende wijs
Imperatief
hoest uit
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
uithoesten
Gerundium
uithoesten
Onvoltooid deelwoord
uithoestend
Voltooid deelwoord
uitgehoest
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.