Vervoeging van uitdagen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitdagen
to challenge
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)daag uit
Verleden tijd (ik)daagde uit
Voltooid deelwoorduitgedaagd
Volledige vervoeging van het werkwoord uitdagen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik daag uit
jij daagt uit (inversie: daag uit jij)
u daagt uit
hij/zij/het daagt uit
wij dagen uit
jullie dagen uit
zij dagen uit

Verleden tijd

ik daagde uit
jij daagde uit
u daagde uit
hij/zij/het daagde uit
wij daagden uit
jullie daagden uit
zij daagden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitdaag
(dat) jij uitdaagt
(dat) u uitdaagt
(dat) hij/zij/het uitdaagt
(dat) wij uitdagen
(dat) jullie uitdagen
(dat) zij uitdagen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitdaagde
(dat) jij uitdaagde
(dat) u uitdaagde
(dat) hij/zij/het uitdaagde
(dat) wij uitdaagden
(dat) jullie uitdaagden
(dat) zij uitdaagden

Gebiedende wijs

Imperatief

daag uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitdagen

Gerundium

uitdagen

Onvoltooid deelwoord

uitdagend

Voltooid deelwoord

uitgedaagd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.