to take some time to idle and relax after a good meal or between courses
Andere betekenissen: to bulge out
Tegenwoordige tijd (ik)buik uit
Verleden tijd (ik)buikte uit
Voltooid deelwoorduitgebuikt
Volledige vervoeging van het werkwoord uitbuiken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik buik uit
jij buikt uit (inversie: buik uit jij)
u buikt uit
hij/zij/het buikt uit
wij buiken uit
jullie buiken uit
zij buiken uit
Verleden tijd
ik buikte uit
jij buikte uit
u buikte uit
hij/zij/het buikte uit
wij buikten uit
jullie buikten uit
zij buikten uit
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik uitbuik
(dat) jij uitbuikt
(dat) u uitbuikt
(dat) hij/zij/het uitbuikt
(dat) wij uitbuiken
(dat) jullie uitbuiken
(dat) zij uitbuiken
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik uitbuikte
(dat) jij uitbuikte
(dat) u uitbuikte
(dat) hij/zij/het uitbuikte
(dat) wij uitbuikten
(dat) jullie uitbuikten
(dat) zij uitbuikten
Gebiedende wijs
Imperatief
buik uit
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
uitbuiken
Gerundium
uitbuiken
Onvoltooid deelwoord
uitbuikend
Voltooid deelwoord
uitgebuikt
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.