to extend, to expand
Tegenwoordige tijd (ik)breid uit
Verleden tijd (ik)breidde uit
Voltooid deelwoorduitgebreid
Volledige vervoeging van het werkwoord uitbreiden: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik breid uit
jij breidt uit (inversie: breid uit jij)
u breidt uit
hij/zij/het breidt uit
wij breiden uit
jullie breiden uit
zij breiden uit
Verleden tijd
ik breidde uit
jij breidde uit
u breidde uit
hij/zij/het breidde uit
wij breidden uit
jullie breidden uit
zij breidden uit
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik uitbreid
(dat) jij uitbreidt
(dat) u uitbreidt
(dat) hij/zij/het uitbreidt
(dat) wij uitbreiden
(dat) jullie uitbreiden
(dat) zij uitbreiden
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik uitbreidde
(dat) jij uitbreidde
(dat) u uitbreidde
(dat) hij/zij/het uitbreidde
(dat) wij uitbreidden
(dat) jullie uitbreidden
(dat) zij uitbreidden
Gebiedende wijs
Imperatief
breid uit
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
uitbreiden
Gerundium
uitbreiden
Onvoltooid deelwoord
uitbreidend
Voltooid deelwoord
uitgebreid
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.