Vervoeging van uitbrakken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitbrakken
to gradually recover from a hangover
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)brak uit
Verleden tijd (ik)brakte uit
Voltooid deelwoorduitgebrakt
Volledige vervoeging van het werkwoord uitbrakken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik brak uit
jij brakt uit (inversie: brak uit jij)
u brakt uit
hij/zij/het brakt uit
wij brakken uit
jullie brakken uit
zij brakken uit

Verleden tijd

ik brakte uit
jij brakte uit
u brakte uit
hij/zij/het brakte uit
wij brakten uit
jullie brakten uit
zij brakten uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitbrak
(dat) jij uitbrakt
(dat) u uitbrakt
(dat) hij/zij/het uitbrakt
(dat) wij uitbrakken
(dat) jullie uitbrakken
(dat) zij uitbrakken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitbrakte
(dat) jij uitbrakte
(dat) u uitbrakte
(dat) hij/zij/het uitbrakte
(dat) wij uitbrakten
(dat) jullie uitbrakten
(dat) zij uitbrakten

Gebiedende wijs

Imperatief

brak uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitbrakken

Gerundium

uitbrakken

Onvoltooid deelwoord

uitbrakkend

Voltooid deelwoord

uitgebrakt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.