Vervoeging van uitblinken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitblinken
to excel, to shine
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)blink uit
Verleden tijd (ik)blonk uit
Voltooid deelwoorduitgeblonken
Volledige vervoeging van het werkwoord uitblinken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik blink uit
jij blinkt uit (inversie: blink uit jij)
u blinkt uit
hij/zij/het blinkt uit
wij blinken uit
jullie blinken uit
zij blinken uit

Verleden tijd

ik blonk uit
jij blonk uit
u blonk uit
hij/zij/het blonk uit
wij blonken uit
jullie blonken uit
zij blonken uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitblink
(dat) jij uitblinkt
(dat) u uitblinkt
(dat) hij/zij/het uitblinkt
(dat) wij uitblinken
(dat) jullie uitblinken
(dat) zij uitblinken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitblonk
(dat) jij uitblonk
(dat) u uitblonk
(dat) hij/zij/het uitblonk
(dat) wij uitblonken
(dat) jullie uitblonken
(dat) zij uitblonken

Gebiedende wijs

Imperatief

blink uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitblinken

Gerundium

uitblinken

Onvoltooid deelwoord

uitblinkend

Voltooid deelwoord

uitgeblonken

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.