Vervoeging van uitbetalen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

uitbetalen
to pay out
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)betaal uit
Verleden tijd (ik)betaalde uit
Voltooid deelwoorduitbetaald
Volledige vervoeging van het werkwoord uitbetalen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik betaal uit
jij betaalt uit (inversie: betaal uit jij)
u betaalt uit
hij/zij/het betaalt uit
wij betalen uit
jullie betalen uit
zij betalen uit

Verleden tijd

ik betaalde uit
jij betaalde uit
u betaalde uit
hij/zij/het betaalde uit
wij betaalden uit
jullie betaalden uit
zij betaalden uit

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik uitbetaal
(dat) jij uitbetaalt
(dat) u uitbetaalt
(dat) hij/zij/het uitbetaalt
(dat) wij uitbetalen
(dat) jullie uitbetalen
(dat) zij uitbetalen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik uitbetaalde
(dat) jij uitbetaalde
(dat) u uitbetaalde
(dat) hij/zij/het uitbetaalde
(dat) wij uitbetaalden
(dat) jullie uitbetaalden
(dat) zij uitbetaalden

Gebiedende wijs

Imperatief

betaal uit

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

uitbetalen

Gerundium

uitbetalen

Onvoltooid deelwoord

uitbetalend

Voltooid deelwoord

uitbetaald

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.