to exploit, to extract or derive value from, to use for one's benefit
Tegenwoordige tijd (ik)baat uit
Verleden tijd (ik)baatte uit
Voltooid deelwoorduitgebaat
Volledige vervoeging van het werkwoord uitbaten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik baat uit
jij baat uit
u baat uit
hij/zij/het baat uit
wij baten uit
jullie baten uit
zij baten uit
Verleden tijd
ik baatte uit
jij baatte uit
u baatte uit
hij/zij/het baatte uit
wij baatten uit
jullie baatten uit
zij baatten uit
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik uitbaat
(dat) jij uitbaat
(dat) u uitbaat
(dat) hij/zij/het uitbaat
(dat) wij uitbaten
(dat) jullie uitbaten
(dat) zij uitbaten
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik uitbaatte
(dat) jij uitbaatte
(dat) u uitbaatte
(dat) hij/zij/het uitbaatte
(dat) wij uitbaatten
(dat) jullie uitbaatten
(dat) zij uitbaatten
Gebiedende wijs
Imperatief
baat uit
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
uitbaten
Gerundium
uitbaten
Onvoltooid deelwoord
uitbatend
Voltooid deelwoord
uitgebaat
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.