to throne (i.e. to reign)
Tegenwoordige tijd (ik)troon
Verleden tijd (ik)troonde
Voltooid deelwoordgetroond
Volledige vervoeging van het werkwoord tronen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik troon
jij troont (inversie: troon jij)
u troont
hij/zij/het troont
wij tronen
jullie tronen
zij tronen
Verleden tijd
ik troonde
jij troonde
u troonde
hij/zij/het troonde
wij troonden
jullie troonden
zij troonden
Gebiedende wijs
Imperatief
troon
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
tronen
Gerundium
tronen
Onvoltooid deelwoord
tronend
Voltooid deelwoord
getroond
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.