to time (measure or record the time, duration, or rate of something)
Tegenwoordige tijd (ik)time
Verleden tijd (ik)timede
Voltooid deelwoordgetimed
Volledige vervoeging van het werkwoord timen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik time
jij timet (inversie: time jij)
u timet
hij/zij/het timet
wij timen
jullie timen
zij timen
Verleden tijd
ik timede
jij timede
u timede
hij/zij/het timede
wij timeden
jullie timeden
zij timeden
Gebiedende wijs
Imperatief
time
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
timen
Gerundium
timen
Onvoltooid deelwoord
timend
Voltooid deelwoord
getimed
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.