2 verschillende werkwoorden « tijgen »:
tijgen — to accuse · tijgen — to go
to accuse
Tegenwoordige tijd (ik)tijg
Verleden tijd (ik)teeg
Voltooid deelwoordgetegen
Volledige vervoeging van het werkwoord tijgen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik tijg
jij tijgt (inversie: tijg jij)
u tijgt
hij/zij/het tijgt
wij tijgen
jullie tijgen
zij tijgen
Verleden tijd
ik teeg
jij teeg
u teeg
hij/zij/het teeg
wij tegen
jullie tegen
zij tegen
Gebiedende wijs
Imperatief
tijg
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
tijgen
Gerundium
tijgen
Onvoltooid deelwoord
tijgend
Voltooid deelwoord
getegen
to go
Tegenwoordige tijd (ik)tijg
Verleden tijd (ik)toog
Voltooid deelwoordgetogen
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik tijg
jij tijgt (inversie: tijg jij)
u tijgt
hij/zij/het tijgt
wij tijgen
jullie tijgen
zij tijgen
Verleden tijd
ik toog
jij toog
u toog
hij/zij/het toog
wij togen
jullie togen
zij togen
Gebiedende wijs
Imperatief
tijg
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
tijgen
Gerundium
tijgen
Onvoltooid deelwoord
tijgend
Voltooid deelwoord
getogen
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.