2 verschillende werkwoorden « stuipen »:
stuipen — to bend the upper part of the body forwa · stuipen — to flog
to bend the upper part of the body forward and downward; to stoop
Tegenwoordige tijd (ik)stuip
Verleden tijd (ik)stoop
Voltooid deelwoordgestopen
Volledige vervoeging van het werkwoord stuipen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik stuip
jij stuipt (inversie: stuip jij)
u stuipt
hij/zij/het stuipt
wij stuipen
jullie stuipen
zij stuipen
Verleden tijd
ik stoop
jij stoop
u stoop
hij/zij/het stoop
wij stopen
jullie stopen
zij stopen
Gebiedende wijs
Imperatief
stuip
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
stuipen
Gerundium
stuipen
Onvoltooid deelwoord
stuipend
Voltooid deelwoord
gestopen
to flog
Tegenwoordige tijd (ik)stuip
Verleden tijd (ik)stuipte
Voltooid deelwoordgestuipt
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik stuip
jij stuipt (inversie: stuip jij)
u stuipt
hij/zij/het stuipt
wij stuipen
jullie stuipen
zij stuipen
Verleden tijd
ik stuipte
jij stuipte
u stuipte
hij/zij/het stuipte
wij stuipten
jullie stuipten
zij stuipten
Gebiedende wijs
Imperatief
stuip
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
stuipen
Gerundium
stuipen
Onvoltooid deelwoord
stuipend
Voltooid deelwoord
gestuipt
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.