to hold a speech, to have an address
Tegenwoordige tijd (ik)speech
Verleden tijd (ik)speechte
Voltooid deelwoordgespeecht
Volledige vervoeging van het werkwoord speechen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik speech
jij speecht (inversie: speech jij)
u speecht
hij/zij/het speecht
wij speechen
jullie speechen
zij speechen
Verleden tijd
ik speechte
jij speechte
u speechte
hij/zij/het speechte
wij speechten
jullie speechten
zij speechten
Gebiedende wijs
Imperatief
speech
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
speechen
Gerundium
speechen
Onvoltooid deelwoord
speechend
Voltooid deelwoord
gespeecht
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.