2 verschillende werkwoorden « smoken »:
smoken — to smoke, especially tobacco or a pipe · smoken — to smoke, especially cannabis or hashish
to smoke, especially tobacco or a pipe
Tegenwoordige tijd (ik)smook
Verleden tijd (ik)smookte
Voltooid deelwoordgesmookt
Volledige vervoeging van het werkwoord smoken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik smook
jij smookt (inversie: smook jij)
u smookt
hij/zij/het smookt
wij smoken
jullie smoken
zij smoken
Verleden tijd
ik smookte
jij smookte
u smookte
hij/zij/het smookte
wij smookten
jullie smookten
zij smookten
Gebiedende wijs
Imperatief
smook
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
smoken
Gerundium
smoken
Onvoltooid deelwoord
smokend
Voltooid deelwoord
gesmookt
to smoke, especially cannabis or hashish
Tegenwoordige tijd (ik)smoke
Verleden tijd (ik)smokete
Voltooid deelwoordgesmoket
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik smoke
jij smoket (inversie: smoke jij)
u smoket
hij/zij/het smoket
wij smoken
jullie smoken
zij smoken
Verleden tijd
ik smokete
jij smokete
u smokete
hij/zij/het smokete
wij smoketen
jullie smoketen
zij smoketen
Gebiedende wijs
Imperatief
smoke
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
smoken
Gerundium
smoken
Onvoltooid deelwoord
smokend
Voltooid deelwoord
gesmoket
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.