Vervoeging van smoken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

2 verschillende werkwoorden « smoken »: smoken — to smoke, especially tobacco or a pipe · smoken — to smoke, especially cannabis or hashish
smoken
to smoke, especially tobacco or a pipe
weak
Tegenwoordige tijd (ik)smook
Verleden tijd (ik)smookte
Voltooid deelwoordgesmookt
Volledige vervoeging van het werkwoord smoken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik smook
jij smookt (inversie: smook jij)
u smookt
hij/zij/het smookt
wij smoken
jullie smoken
zij smoken

Verleden tijd

ik smookte
jij smookte
u smookte
hij/zij/het smookte
wij smookten
jullie smookten
zij smookten

Gebiedende wijs

Imperatief

smook

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

smoken

Gerundium

smoken

Onvoltooid deelwoord

smokend

Voltooid deelwoord

gesmookt
smoken
to smoke, especially cannabis or hashish
weak
Tegenwoordige tijd (ik)smoke
Verleden tijd (ik)smokete
Voltooid deelwoordgesmoket

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik smoke
jij smoket (inversie: smoke jij)
u smoket
hij/zij/het smoket
wij smoken
jullie smoken
zij smoken

Verleden tijd

ik smokete
jij smokete
u smokete
hij/zij/het smokete
wij smoketen
jullie smoketen
zij smoketen

Gebiedende wijs

Imperatief

smoke

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

smoken

Gerundium

smoken

Onvoltooid deelwoord

smokend

Voltooid deelwoord

gesmoket

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.