2 verschillende werkwoorden « scheren »:
scheren — to shave (reflexive pronouns are used fo · scheren — to skim, fleet; to go over something rea
to shave (reflexive pronouns are used for self-directed actions)
Andere betekenissen: to order, arrange, prepare
Tegenwoordige tijd (ik)scheer
Verleden tijd (ik)schoor
Voltooid deelwoordgeschoren
Volledige vervoeging van het werkwoord scheren: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik scheer
jij scheert (inversie: scheer jij)
u scheert
hij/zij/het scheert
wij scheren
jullie scheren
zij scheren
Verleden tijd
ik schoor
jij schoor
u schoor
hij/zij/het schoor
wij schoren
jullie schoren
zij schoren
Gebiedende wijs
Imperatief
scheer
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
scheren
Gerundium
scheren
Onvoltooid deelwoord
scherend
Voltooid deelwoord
geschoren
to skim, fleet; to go over something really quickly
Tegenwoordige tijd (ik)scheer
Verleden tijd (ik)scheerde
Voltooid deelwoordgescheerd
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik scheer
jij scheert (inversie: scheer jij)
u scheert
hij/zij/het scheert
wij scheren
jullie scheren
zij scheren
Verleden tijd
ik scheerde
jij scheerde
u scheerde
hij/zij/het scheerde
wij scheerden
jullie scheerden
zij scheerden
Gebiedende wijs
Imperatief
scheer
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
scheren
Gerundium
scheren
Onvoltooid deelwoord
scherend
Voltooid deelwoord
gescheerd
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.