to compose, to make up, to form
Tegenwoordige tijd (ik)stel samen
Verleden tijd (ik)stelde samen
Voltooid deelwoordsamengesteld
Volledige vervoeging van het werkwoord samenstellen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik stel samen
jij stelt samen (inversie: stel samen jij)
u stelt samen
hij/zij/het stelt samen
wij stellen samen
jullie stellen samen
zij stellen samen
Verleden tijd
ik stelde samen
jij stelde samen
u stelde samen
hij/zij/het stelde samen
wij stelden samen
jullie stelden samen
zij stelden samen
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik samenstel
(dat) jij samenstelt
(dat) u samenstelt
(dat) hij/zij/het samenstelt
(dat) wij samenstellen
(dat) jullie samenstellen
(dat) zij samenstellen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik samenstelde
(dat) jij samenstelde
(dat) u samenstelde
(dat) hij/zij/het samenstelde
(dat) wij samenstelden
(dat) jullie samenstelden
(dat) zij samenstelden
Gebiedende wijs
Imperatief
stel samen
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
samenstellen
Gerundium
samenstellen
Onvoltooid deelwoord
samenstellend
Voltooid deelwoord
samengesteld
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.