to conspire [with tegen ‘against’]
Tegenwoordige tijd (ik)span samen
Verleden tijd (ik)spande samen
Voltooid deelwoordsamengespannen
Volledige vervoeging van het werkwoord samenspannen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik span samen
jij spant samen (inversie: span samen jij)
u spant samen
hij/zij/het spant samen
wij spannen samen
jullie spannen samen
zij spannen samen
Verleden tijd
ik spande samen
jij spande samen
u spande samen
hij/zij/het spande samen
wij spanden samen
jullie spanden samen
zij spanden samen
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik samenspan
(dat) jij samenspant
(dat) u samenspant
(dat) hij/zij/het samenspant
(dat) wij samenspannen
(dat) jullie samenspannen
(dat) zij samenspannen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik samenspande
(dat) jij samenspande
(dat) u samenspande
(dat) hij/zij/het samenspande
(dat) wij samenspanden
(dat) jullie samenspanden
(dat) zij samenspanden
Gebiedende wijs
Imperatief
span samen
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
samenspannen
Gerundium
samenspannen
Onvoltooid deelwoord
samenspannend
Voltooid deelwoord
samengespannen
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.