to pool, to each contribute
Tegenwoordige tijd (ik)leg samen
Verleden tijd (ik)legde samen
Voltooid deelwoordsamengelegd
Volledige vervoeging van het werkwoord samenleggen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik leg samen
jij legt samen (inversie: leg samen jij)
u legt samen
hij/zij/het legt samen
wij leggen samen
jullie leggen samen
zij leggen samen
Verleden tijd
ik legde samen
jij legde samen
u legde samen
hij/zij/het legde samen
wij legden samen
jullie legden samen
zij legden samen
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik samenleg
(dat) jij samenlegt
(dat) u samenlegt
(dat) hij/zij/het samenlegt
(dat) wij samenleggen
(dat) jullie samenleggen
(dat) zij samenleggen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik samenlegde
(dat) jij samenlegde
(dat) u samenlegde
(dat) hij/zij/het samenlegde
(dat) wij samenlegden
(dat) jullie samenlegden
(dat) zij samenlegden
Gebiedende wijs
Imperatief
leg samen
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
samenleggen
Gerundium
samenleggen
Onvoltooid deelwoord
samenleggend
Voltooid deelwoord
samengelegd
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.