to rest
Andere betekenissen: to equip, to provide with what is needed
Tegenwoordige tijd (ik)rust
Verleden tijd (ik)rustte
Voltooid deelwoordgerust
Volledige vervoeging van het werkwoord rusten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik rust
jij rust
u rust
hij/zij/het rust
wij rusten
jullie rusten
zij rusten
Verleden tijd
ik rustte
jij rustte
u rustte
hij/zij/het rustte
wij rustten
jullie rustten
zij rustten
Gebiedende wijs
Imperatief
rust
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
rusten
Gerundium
rusten
Onvoltooid deelwoord
rustend
Voltooid deelwoord
gerust
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.