2 verschillende werkwoorden « passen »:
passen — to fit (have the right size) · passen — to pass
to fit (have the right size)
Tegenwoordige tijd (ik)pas
Verleden tijd (ik)paste
Voltooid deelwoordgepast
Volledige vervoeging van het werkwoord passen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik pas
jij past (inversie: pas jij)
u past
hij/zij/het past
wij passen
jullie passen
zij passen
Verleden tijd
ik paste
jij paste
u paste
hij/zij/het paste
wij pasten
jullie pasten
zij pasten
Gebiedende wijs
Imperatief
pas
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
passen
Gerundium
passen
Onvoltooid deelwoord
passend
Voltooid deelwoord
gepast
to pass
Tegenwoordige tijd (ik)pass
Verleden tijd (ik)passte
Voltooid deelwoordgepasst
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik pass
jij passt (inversie: pass jij)
u passt
hij/zij/het passt
wij passen
jullie passen
zij passen
Verleden tijd
ik passte
jij passte
u passte
hij/zij/het passte
wij passten
jullie passten
zij passten
Gebiedende wijs
Imperatief
pass
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
passen
Gerundium
passen
Onvoltooid deelwoord
passend
Voltooid deelwoord
gepasst
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.