2 verschillende werkwoorden « overtrekken »:
overtrekken — to pull again · overtrekken — to exaggerate
to pull again
Tegenwoordige tijd (ik)trek over
Verleden tijd (ik)trok over
Voltooid deelwoordovergetrokken
Volledige vervoeging van het werkwoord overtrekken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik trek over
jij trekt over (inversie: trek over jij)
u trekt over
hij/zij/het trekt over
wij trekken over
jullie trekken over
zij trekken over
Verleden tijd
ik trok over
jij trok over
u trok over
hij/zij/het trok over
wij trokken over
jullie trokken over
zij trokken over
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik overtrek
(dat) jij overtrekt
(dat) u overtrekt
(dat) hij/zij/het overtrekt
(dat) wij overtrekken
(dat) jullie overtrekken
(dat) zij overtrekken
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik overtrok
(dat) jij overtrok
(dat) u overtrok
(dat) hij/zij/het overtrok
(dat) wij overtrokken
(dat) jullie overtrokken
(dat) zij overtrokken
Gebiedende wijs
Imperatief
trek over
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
overtrekken
Gerundium
overtrekken
Onvoltooid deelwoord
overtrekkend
Voltooid deelwoord
overgetrokken
to exaggerate
Tegenwoordige tijd (ik)overtrek
Verleden tijd (ik)overtrok
Voltooid deelwoordovertrokken
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik overtrek
jij overtrekt (inversie: overtrek jij)
u overtrekt
hij/zij/het overtrekt
wij overtrekken
jullie overtrekken
zij overtrekken
Verleden tijd
ik overtrok
jij overtrok
u overtrok
hij/zij/het overtrok
wij overtrokken
jullie overtrokken
zij overtrokken
Gebiedende wijs
Imperatief
overtrek
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
overtrekken
Gerundium
overtrekken
Onvoltooid deelwoord
overtrekkend
Voltooid deelwoord
overtrokken
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.