2 verschillende werkwoorden « overrijden »:
overrijden — to run over · overrijden — to drive over
to run over
Tegenwoordige tijd (ik)overrij / overrijd
Verleden tijd (ik)overreed
Voltooid deelwoordoverreden
Volledige vervoeging van het werkwoord overrijden: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik overrij / overrijd
jij overrijdt / overrij / overrijd
u overrijdt
hij/zij/het overrijdt
wij overrijden
jullie overrijden
zij overrijden
Verleden tijd
ik overreed
jij overreed
u overreed
hij/zij/het overreed
wij overreden
jullie overreden
zij overreden
Gebiedende wijs
Imperatief
overrij / overrijd
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
overrijden
Gerundium
overrijden
Onvoltooid deelwoord
overrijdend
Voltooid deelwoord
overreden
to drive over
Tegenwoordige tijd (ik)rij over / rijd over
Verleden tijd (ik)reed over
Voltooid deelwoordovergereden
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik rij over / rijd over
jij rijdt over / rij over / rijd over
u rijdt over
hij/zij/het rijdt over
wij rijden over
jullie rijden over
zij rijden over
Verleden tijd
ik reed over
jij reed over
u reed over
hij/zij/het reed over
wij reden over
jullie reden over
zij reden over
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik overrij / overrijd
(dat) jij overrijdt
(dat) u overrijdt
(dat) hij/zij/het overrijdt
(dat) wij overrijden
(dat) jullie overrijden
(dat) zij overrijden
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik overreed
(dat) jij overreed
(dat) u overreed
(dat) hij/zij/het overreed
(dat) wij overreden
(dat) jullie overreden
(dat) zij overreden
Gebiedende wijs
Imperatief
rij over / rijd over
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
overrijden
Gerundium
overrijden
Onvoltooid deelwoord
overrijdend
Voltooid deelwoord
overgereden
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.