2 verschillende werkwoorden « overleggen »:
overleggen — to talk over, discuss · overleggen — to show, display
to talk over, discuss
Tegenwoordige tijd (ik)overleg
Verleden tijd (ik)overlegde
Voltooid deelwoordoverlegd
Volledige vervoeging van het werkwoord overleggen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik overleg
jij overlegt (inversie: overleg jij)
u overlegt
hij/zij/het overlegt
wij overleggen
jullie overleggen
zij overleggen
Verleden tijd
ik overlegde
jij overlegde
u overlegde
hij/zij/het overlegde
wij overlegden
jullie overlegden
zij overlegden
Gebiedende wijs
Imperatief
overleg
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
overleggen
Gerundium
overleggen
Onvoltooid deelwoord
overleggend
Voltooid deelwoord
overlegd
to show, display
Tegenwoordige tijd (ik)leg over
Verleden tijd (ik)legde over
Voltooid deelwoordovergelegd
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik leg over
jij legt over (inversie: leg over jij)
u legt over
hij/zij/het legt over
wij leggen over
jullie leggen over
zij leggen over
Verleden tijd
ik legde over
jij legde over
u legde over
hij/zij/het legde over
wij legden over
jullie legden over
zij legden over
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik overleg
(dat) jij overlegt
(dat) u overlegt
(dat) hij/zij/het overlegt
(dat) wij overleggen
(dat) jullie overleggen
(dat) zij overleggen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik overlegde
(dat) jij overlegde
(dat) u overlegde
(dat) hij/zij/het overlegde
(dat) wij overlegden
(dat) jullie overlegden
(dat) zij overlegden
Gebiedende wijs
Imperatief
leg over
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
overleggen
Gerundium
overleggen
Onvoltooid deelwoord
overleggend
Voltooid deelwoord
overgelegd
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.