2 verschillende werkwoorden « overkomen »:
overkomen — to come across, seem · overkomen — to happen, befall
to come across, seem
Tegenwoordige tijd (ik)kom over
Verleden tijd (ik)kwam over
Voltooid deelwoordovergekomen
Volledige vervoeging van het werkwoord overkomen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik kom over
jij komt over (inversie: kom over jij)
u komt over
hij/zij/het komt over
wij komen over
jullie komen over
zij komen over
Verleden tijd
ik kwam over
jij kwam over
u kwam over
hij/zij/het kwam over
wij kwamen over
jullie kwamen over
zij kwamen over
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik overkom
(dat) jij overkomt
(dat) u overkomt
(dat) hij/zij/het overkomt
(dat) wij overkomen
(dat) jullie overkomen
(dat) zij overkomen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik overkwam
(dat) jij overkwam
(dat) u overkwam
(dat) hij/zij/het overkwam
(dat) wij overkwamen
(dat) jullie overkwamen
(dat) zij overkwamen
Gebiedende wijs
Imperatief
kom over
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
overkomen
Gerundium
overkomen
Onvoltooid deelwoord
overkomend
Voltooid deelwoord
overgekomen
to happen, befall
Tegenwoordige tijd (ik)overkom
Verleden tijd (ik)overkwam
Voltooid deelwoordoverkomen
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik overkom
jij overkomt (inversie: overkom jij)
u overkomt
hij/zij/het overkomt
wij overkomen
jullie overkomen
zij overkomen
Verleden tijd
ik overkwam
jij overkwam
u overkwam
hij/zij/het overkwam
wij overkwamen
jullie overkwamen
zij overkwamen
Gebiedende wijs
Imperatief
overkom
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
overkomen
Gerundium
overkomen
Onvoltooid deelwoord
overkomend
Voltooid deelwoord
overkomen
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.