Vervoeging van opzwepen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opzwepen
to urge or chase on with a whip
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)zweep op
Verleden tijd (ik)zweepte op
Voltooid deelwoordopgezweept
Volledige vervoeging van het werkwoord opzwepen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik zweep op
jij zweept op (inversie: zweep op jij)
u zweept op
hij/zij/het zweept op
wij zwepen op
jullie zwepen op
zij zwepen op

Verleden tijd

ik zweepte op
jij zweepte op
u zweepte op
hij/zij/het zweepte op
wij zweepten op
jullie zweepten op
zij zweepten op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opzweep
(dat) jij opzweept
(dat) u opzweept
(dat) hij/zij/het opzweept
(dat) wij opzwepen
(dat) jullie opzwepen
(dat) zij opzwepen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opzweepte
(dat) jij opzweepte
(dat) u opzweepte
(dat) hij/zij/het opzweepte
(dat) wij opzweepten
(dat) jullie opzweepten
(dat) zij opzweepten

Gebiedende wijs

Imperatief

zweep op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opzwepen

Gerundium

opzwepen

Onvoltooid deelwoord

opzwepend

Voltooid deelwoord

opgezweept

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.