Vervoeging van opzijleggen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opzijleggen
to put aside
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)leg opzij
Verleden tijd (ik)legde opzij
Voltooid deelwoordopzijgelegd
Volledige vervoeging van het werkwoord opzijleggen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik leg opzij
jij legt opzij (inversie: leg opzij jij)
u legt opzij
hij/zij/het legt opzij
wij leggen opzij
jullie leggen opzij
zij leggen opzij

Verleden tijd

ik legde opzij
jij legde opzij
u legde opzij
hij/zij/het legde opzij
wij legden opzij
jullie legden opzij
zij legden opzij

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opzijleg
(dat) jij opzijlegt
(dat) u opzijlegt
(dat) hij/zij/het opzijlegt
(dat) wij opzijleggen
(dat) jullie opzijleggen
(dat) zij opzijleggen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opzijlegde
(dat) jij opzijlegde
(dat) u opzijlegde
(dat) hij/zij/het opzijlegde
(dat) wij opzijlegden
(dat) jullie opzijlegden
(dat) zij opzijlegden

Gebiedende wijs

Imperatief

leg opzij

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opzijleggen

Gerundium

opzijleggen

Onvoltooid deelwoord

opzijleggend

Voltooid deelwoord

opzijgelegd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.