Vervoeging van opzeggen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opzeggen
to terminate a contract
irregular separable weak
scheidbaar
onregelmatig
Tegenwoordige tijd (ik)zeg op
Verleden tijd (ik)zei op / zegde op
Voltooid deelwoordopgezegd
Volledige vervoeging van het werkwoord opzeggen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik zeg op
jij zegt op (inversie: zeg op jij)
u zegt op
hij/zij/het zegt op
wij zeggen op
jullie zeggen op
zij zeggen op

Verleden tijd

ik zei op / zegde op
jij zei op (inversie: zegde op jij)
u zei op / zegde op
hij/zij/het zei op / zegde op
wij zeiden op / zegden op
jullie zeiden op / zegden op
zij zeiden op / zegden op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opzeg
(dat) jij opzegt
(dat) u opzegt
(dat) hij/zij/het opzegt
(dat) wij opzeggen
(dat) jullie opzeggen
(dat) zij opzeggen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opzei / opzegde
(dat) jij opzei / opzegde
(dat) u opzei / opzegde
(dat) hij/zij/het opzei / opzegde
(dat) wij opzeiden / opzegden
(dat) jullie opzeiden / opzegden
(dat) zij opzeiden / opzegden

Gebiedende wijs

Imperatief

zeg op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opzeggen

Gerundium

opzeggen

Onvoltooid deelwoord

opzeggend

Voltooid deelwoord

opgezegd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.