Vervoeging van opzadelen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opzadelen
to saddle up
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)zadel op
Verleden tijd (ik)zadelde op
Voltooid deelwoordopgezadeld
Volledige vervoeging van het werkwoord opzadelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik zadel op
jij zadelt op (inversie: zadel op jij)
u zadelt op
hij/zij/het zadelt op
wij zadelen op
jullie zadelen op
zij zadelen op

Verleden tijd

ik zadelde op
jij zadelde op
u zadelde op
hij/zij/het zadelde op
wij zadelden op
jullie zadelden op
zij zadelden op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opzadel
(dat) jij opzadelt
(dat) u opzadelt
(dat) hij/zij/het opzadelt
(dat) wij opzadelen
(dat) jullie opzadelen
(dat) zij opzadelen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opzadelde
(dat) jij opzadelde
(dat) u opzadelde
(dat) hij/zij/het opzadelde
(dat) wij opzadelden
(dat) jullie opzadelden
(dat) zij opzadelden

Gebiedende wijs

Imperatief

zadel op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opzadelen

Gerundium

opzadelen

Onvoltooid deelwoord

opzadelend

Voltooid deelwoord

opgezadeld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.