Vervoeging van opwarmen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opwarmen
to warm up
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)warm op
Verleden tijd (ik)warmde op
Voltooid deelwoordopgewarmd
Volledige vervoeging van het werkwoord opwarmen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik warm op
jij warmt op (inversie: warm op jij)
u warmt op
hij/zij/het warmt op
wij warmen op
jullie warmen op
zij warmen op

Verleden tijd

ik warmde op
jij warmde op
u warmde op
hij/zij/het warmde op
wij warmden op
jullie warmden op
zij warmden op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opwarm
(dat) jij opwarmt
(dat) u opwarmt
(dat) hij/zij/het opwarmt
(dat) wij opwarmen
(dat) jullie opwarmen
(dat) zij opwarmen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opwarmde
(dat) jij opwarmde
(dat) u opwarmde
(dat) hij/zij/het opwarmde
(dat) wij opwarmden
(dat) jullie opwarmden
(dat) zij opwarmden

Gebiedende wijs

Imperatief

warm op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opwarmen

Gerundium

opwarmen

Onvoltooid deelwoord

opwarmend

Voltooid deelwoord

opgewarmd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.