Vervoeging van optrommelen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

optrommelen
to rally, to drum up
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)trommel op
Verleden tijd (ik)trommelde op
Voltooid deelwoordopgetrommeld
Volledige vervoeging van het werkwoord optrommelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik trommel op
jij trommelt op (inversie: trommel op jij)
u trommelt op
hij/zij/het trommelt op
wij trommelen op
jullie trommelen op
zij trommelen op

Verleden tijd

ik trommelde op
jij trommelde op
u trommelde op
hij/zij/het trommelde op
wij trommelden op
jullie trommelden op
zij trommelden op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik optrommel
(dat) jij optrommelt
(dat) u optrommelt
(dat) hij/zij/het optrommelt
(dat) wij optrommelen
(dat) jullie optrommelen
(dat) zij optrommelen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik optrommelde
(dat) jij optrommelde
(dat) u optrommelde
(dat) hij/zij/het optrommelde
(dat) wij optrommelden
(dat) jullie optrommelden
(dat) zij optrommelden

Gebiedende wijs

Imperatief

trommel op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

optrommelen

Gerundium

optrommelen

Onvoltooid deelwoord

optrommelend

Voltooid deelwoord

opgetrommeld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.