Vervoeging van opstijgen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opstijgen
to ascend, to rise
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)stijg op
Verleden tijd (ik)steeg op
Voltooid deelwoordopgestegen
Volledige vervoeging van het werkwoord opstijgen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik stijg op
jij stijgt op (inversie: stijg op jij)
u stijgt op
hij/zij/het stijgt op
wij stijgen op
jullie stijgen op
zij stijgen op

Verleden tijd

ik steeg op
jij steeg op
u steeg op
hij/zij/het steeg op
wij stegen op
jullie stegen op
zij stegen op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opstijg
(dat) jij opstijgt
(dat) u opstijgt
(dat) hij/zij/het opstijgt
(dat) wij opstijgen
(dat) jullie opstijgen
(dat) zij opstijgen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opsteeg
(dat) jij opsteeg
(dat) u opsteeg
(dat) hij/zij/het opsteeg
(dat) wij opstegen
(dat) jullie opstegen
(dat) zij opstegen

Gebiedende wijs

Imperatief

stijg op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opstijgen

Gerundium

opstijgen

Onvoltooid deelwoord

opstijgend

Voltooid deelwoord

opgestegen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.