Vervoeging van opstarten

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opstarten
to start up
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)start op
Verleden tijd (ik)startte op
Voltooid deelwoordopgestart
Volledige vervoeging van het werkwoord opstarten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik start op
jij start op
u start op
hij/zij/het start op
wij starten op
jullie starten op
zij starten op

Verleden tijd

ik startte op
jij startte op
u startte op
hij/zij/het startte op
wij startten op
jullie startten op
zij startten op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opstart
(dat) jij opstart
(dat) u opstart
(dat) hij/zij/het opstart
(dat) wij opstarten
(dat) jullie opstarten
(dat) zij opstarten

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opstartte
(dat) jij opstartte
(dat) u opstartte
(dat) hij/zij/het opstartte
(dat) wij opstartten
(dat) jullie opstartten
(dat) zij opstartten

Gebiedende wijs

Imperatief

start op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opstarten

Gerundium

opstarten

Onvoltooid deelwoord

opstartend

Voltooid deelwoord

opgestart

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.