jump up (propel oneself rapidly upward such that momentum causes the body to become airborne)
Tegenwoordige tijd (ik)spring op
Verleden tijd (ik)sprong op
Voltooid deelwoordopgesprongen
Volledige vervoeging van het werkwoord opspringen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik spring op
jij springt op (inversie: spring op jij)
u springt op
hij/zij/het springt op
wij springen op
jullie springen op
zij springen op
Verleden tijd
ik sprong op
jij sprong op
u sprong op
hij/zij/het sprong op
wij sprongen op
jullie sprongen op
zij sprongen op
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik opspring
(dat) jij opspringt
(dat) u opspringt
(dat) hij/zij/het opspringt
(dat) wij opspringen
(dat) jullie opspringen
(dat) zij opspringen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik opsprong
(dat) jij opsprong
(dat) u opsprong
(dat) hij/zij/het opsprong
(dat) wij opsprongen
(dat) jullie opsprongen
(dat) zij opsprongen
Gebiedende wijs
Imperatief
spring op
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
opspringen
Gerundium
opspringen
Onvoltooid deelwoord
opspringend
Voltooid deelwoord
opgesprongen
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.