Vervoeging van opschieten

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opschieten
to hasten, hurry
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)schiet op
Verleden tijd (ik)schoot op
Voltooid deelwoordopgeschoten
Volledige vervoeging van het werkwoord opschieten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik schiet op
jij schiet op
u schiet op
hij/zij/het schiet op
wij schieten op
jullie schieten op
zij schieten op

Verleden tijd

ik schoot op
jij schoot op
u schoot op
hij/zij/het schoot op
wij schoten op
jullie schoten op
zij schoten op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opschiet
(dat) jij opschiet
(dat) u opschiet
(dat) hij/zij/het opschiet
(dat) wij opschieten
(dat) jullie opschieten
(dat) zij opschieten

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opschoot
(dat) jij opschoot
(dat) u opschoot
(dat) hij/zij/het opschoot
(dat) wij opschoten
(dat) jullie opschoten
(dat) zij opschoten

Gebiedende wijs

Imperatief

schiet op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opschieten

Gerundium

opschieten

Onvoltooid deelwoord

opschietend

Voltooid deelwoord

opgeschoten

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.