Vervoeging van opschepen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opschepen
to saddle (someone with), to land (someone with)
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)scheep op
Verleden tijd (ik)scheepte op
Voltooid deelwoordopgescheept
Volledige vervoeging van het werkwoord opschepen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik scheep op
jij scheept op (inversie: scheep op jij)
u scheept op
hij/zij/het scheept op
wij schepen op
jullie schepen op
zij schepen op

Verleden tijd

ik scheepte op
jij scheepte op
u scheepte op
hij/zij/het scheepte op
wij scheepten op
jullie scheepten op
zij scheepten op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opscheep
(dat) jij opscheept
(dat) u opscheept
(dat) hij/zij/het opscheept
(dat) wij opschepen
(dat) jullie opschepen
(dat) zij opschepen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opscheepte
(dat) jij opscheepte
(dat) u opscheepte
(dat) hij/zij/het opscheepte
(dat) wij opscheepten
(dat) jullie opscheepten
(dat) zij opscheepten

Gebiedende wijs

Imperatief

scheep op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opschepen

Gerundium

opschepen

Onvoltooid deelwoord

opschepend

Voltooid deelwoord

opgescheept

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.