Vervoeging van opschalen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opschalen
to scale up
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)schaal op
Verleden tijd (ik)schaalde op
Voltooid deelwoordopgeschaald
Volledige vervoeging van het werkwoord opschalen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik schaal op
jij schaalt op (inversie: schaal op jij)
u schaalt op
hij/zij/het schaalt op
wij schalen op
jullie schalen op
zij schalen op

Verleden tijd

ik schaalde op
jij schaalde op
u schaalde op
hij/zij/het schaalde op
wij schaalden op
jullie schaalden op
zij schaalden op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opschaal
(dat) jij opschaalt
(dat) u opschaalt
(dat) hij/zij/het opschaalt
(dat) wij opschalen
(dat) jullie opschalen
(dat) zij opschalen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opschaalde
(dat) jij opschaalde
(dat) u opschaalde
(dat) hij/zij/het opschaalde
(dat) wij opschaalden
(dat) jullie opschaalden
(dat) zij opschaalden

Gebiedende wijs

Imperatief

schaal op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opschalen

Gerundium

opschalen

Onvoltooid deelwoord

opschalend

Voltooid deelwoord

opgeschaald

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.