Vervoeging van oproeren

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

oproeren
to stir up
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)roer op
Verleden tijd (ik)roerde op
Voltooid deelwoordopgeroerd
Volledige vervoeging van het werkwoord oproeren: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik roer op
jij roert op (inversie: roer op jij)
u roert op
hij/zij/het roert op
wij roeren op
jullie roeren op
zij roeren op

Verleden tijd

ik roerde op
jij roerde op
u roerde op
hij/zij/het roerde op
wij roerden op
jullie roerden op
zij roerden op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik oproer
(dat) jij oproert
(dat) u oproert
(dat) hij/zij/het oproert
(dat) wij oproeren
(dat) jullie oproeren
(dat) zij oproeren

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik oproerde
(dat) jij oproerde
(dat) u oproerde
(dat) hij/zij/het oproerde
(dat) wij oproerden
(dat) jullie oproerden
(dat) zij oproerden

Gebiedende wijs

Imperatief

roer op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

oproeren

Gerundium

oproeren

Onvoltooid deelwoord

oproerend

Voltooid deelwoord

opgeroerd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.