to run out
Tegenwoordige tijd (ik)raak op
Verleden tijd (ik)raakte op
Voltooid deelwoordopgeraakt
Volledige vervoeging van het werkwoord opraken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik raak op
jij raakt op (inversie: raak op jij)
u raakt op
hij/zij/het raakt op
wij raken op
jullie raken op
zij raken op
Verleden tijd
ik raakte op
jij raakte op
u raakte op
hij/zij/het raakte op
wij raakten op
jullie raakten op
zij raakten op
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik opraak
(dat) jij opraakt
(dat) u opraakt
(dat) hij/zij/het opraakt
(dat) wij opraken
(dat) jullie opraken
(dat) zij opraken
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik opraakte
(dat) jij opraakte
(dat) u opraakte
(dat) hij/zij/het opraakte
(dat) wij opraakten
(dat) jullie opraakten
(dat) zij opraakten
Gebiedende wijs
Imperatief
raak op
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
opraken
Gerundium
opraken
Onvoltooid deelwoord
oprakend
Voltooid deelwoord
opgeraakt
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.