to eat something in its entirety, especially with small bites or nibbles
Tegenwoordige tijd (ik)peuzel op
Verleden tijd (ik)peuzelde op
Voltooid deelwoordopgepeuzeld
Volledige vervoeging van het werkwoord oppeuzelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik peuzel op
jij peuzelt op (inversie: peuzel op jij)
u peuzelt op
hij/zij/het peuzelt op
wij peuzelen op
jullie peuzelen op
zij peuzelen op
Verleden tijd
ik peuzelde op
jij peuzelde op
u peuzelde op
hij/zij/het peuzelde op
wij peuzelden op
jullie peuzelden op
zij peuzelden op
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik oppeuzel
(dat) jij oppeuzelt
(dat) u oppeuzelt
(dat) hij/zij/het oppeuzelt
(dat) wij oppeuzelen
(dat) jullie oppeuzelen
(dat) zij oppeuzelen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik oppeuzelde
(dat) jij oppeuzelde
(dat) u oppeuzelde
(dat) hij/zij/het oppeuzelde
(dat) wij oppeuzelden
(dat) jullie oppeuzelden
(dat) zij oppeuzelden
Gebiedende wijs
Imperatief
peuzel op
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
oppeuzelen
Gerundium
oppeuzelen
Onvoltooid deelwoord
oppeuzelend
Voltooid deelwoord
opgepeuzeld
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.