to cheer up, to invigorate, to give someone more energy, motivation, or encouragement
Tegenwoordige tijd (ik)pep op
Verleden tijd (ik)pepte op
Voltooid deelwoordopgepept
Volledige vervoeging van het werkwoord oppeppen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik pep op
jij pept op (inversie: pep op jij)
u pept op
hij/zij/het pept op
wij peppen op
jullie peppen op
zij peppen op
Verleden tijd
ik pepte op
jij pepte op
u pepte op
hij/zij/het pepte op
wij pepten op
jullie pepten op
zij pepten op
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik oppep
(dat) jij oppept
(dat) u oppept
(dat) hij/zij/het oppept
(dat) wij oppeppen
(dat) jullie oppeppen
(dat) zij oppeppen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik oppepte
(dat) jij oppepte
(dat) u oppepte
(dat) hij/zij/het oppepte
(dat) wij oppepten
(dat) jullie oppepten
(dat) zij oppepten
Gebiedende wijs
Imperatief
pep op
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
oppeppen
Gerundium
oppeppen
Onvoltooid deelwoord
oppeppend
Voltooid deelwoord
opgepept
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.