Vervoeging van opnoemen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opnoemen
recite, name one by one, as from a list
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)noem op
Verleden tijd (ik)noemde op
Voltooid deelwoordopgenoemd
Volledige vervoeging van het werkwoord opnoemen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik noem op
jij noemt op (inversie: noem op jij)
u noemt op
hij/zij/het noemt op
wij noemen op
jullie noemen op
zij noemen op

Verleden tijd

ik noemde op
jij noemde op
u noemde op
hij/zij/het noemde op
wij noemden op
jullie noemden op
zij noemden op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opnoem
(dat) jij opnoemt
(dat) u opnoemt
(dat) hij/zij/het opnoemt
(dat) wij opnoemen
(dat) jullie opnoemen
(dat) zij opnoemen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opnoemde
(dat) jij opnoemde
(dat) u opnoemde
(dat) hij/zij/het opnoemde
(dat) wij opnoemden
(dat) jullie opnoemden
(dat) zij opnoemden

Gebiedende wijs

Imperatief

noem op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opnoemen

Gerundium

opnoemen

Onvoltooid deelwoord

opnoemend

Voltooid deelwoord

opgenoemd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.