to use up (e.g. money) or eat up (all that's left to eat)
Tegenwoordige tijd (ik)maak op
Verleden tijd (ik)maakte op
Voltooid deelwoordopgemaakt
Volledige vervoeging van het werkwoord opmaken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik maak op
jij maakt op (inversie: maak op jij)
u maakt op
hij/zij/het maakt op
wij maken op
jullie maken op
zij maken op
Verleden tijd
ik maakte op
jij maakte op
u maakte op
hij/zij/het maakte op
wij maakten op
jullie maakten op
zij maakten op
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik opmaak
(dat) jij opmaakt
(dat) u opmaakt
(dat) hij/zij/het opmaakt
(dat) wij opmaken
(dat) jullie opmaken
(dat) zij opmaken
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik opmaakte
(dat) jij opmaakte
(dat) u opmaakte
(dat) hij/zij/het opmaakte
(dat) wij opmaakten
(dat) jullie opmaakten
(dat) zij opmaakten
Gebiedende wijs
Imperatief
maak op
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
opmaken
Gerundium
opmaken
Onvoltooid deelwoord
opmakend
Voltooid deelwoord
opgemaakt
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.