Vervoeging van oplopen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

oplopen
to incur, to receive or suffer (an injury)
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)loop op
Verleden tijd (ik)liep op
Voltooid deelwoordopgelopen
Volledige vervoeging van het werkwoord oplopen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik loop op
jij loopt op (inversie: loop op jij)
u loopt op
hij/zij/het loopt op
wij lopen op
jullie lopen op
zij lopen op

Verleden tijd

ik liep op
jij liep op
u liep op
hij/zij/het liep op
wij liepen op
jullie liepen op
zij liepen op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik oploop
(dat) jij oploopt
(dat) u oploopt
(dat) hij/zij/het oploopt
(dat) wij oplopen
(dat) jullie oplopen
(dat) zij oplopen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opliep
(dat) jij opliep
(dat) u opliep
(dat) hij/zij/het opliep
(dat) wij opliepen
(dat) jullie opliepen
(dat) zij opliepen

Gebiedende wijs

Imperatief

loop op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

oplopen

Gerundium

oplopen

Onvoltooid deelwoord

oplopend

Voltooid deelwoord

opgelopen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.