to embellish, to decorate, to make more stylish
Tegenwoordige tijd (ik)leuk op
Verleden tijd (ik)leukte op
Voltooid deelwoordopgeleukt
Volledige vervoeging van het werkwoord opleuken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik leuk op
jij leukt op (inversie: leuk op jij)
u leukt op
hij/zij/het leukt op
wij leuken op
jullie leuken op
zij leuken op
Verleden tijd
ik leukte op
jij leukte op
u leukte op
hij/zij/het leukte op
wij leukten op
jullie leukten op
zij leukten op
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik opleuk
(dat) jij opleukt
(dat) u opleukt
(dat) hij/zij/het opleukt
(dat) wij opleuken
(dat) jullie opleuken
(dat) zij opleuken
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik opleukte
(dat) jij opleukte
(dat) u opleukte
(dat) hij/zij/het opleukte
(dat) wij opleukten
(dat) jullie opleukten
(dat) zij opleukten
Gebiedende wijs
Imperatief
leuk op
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
opleuken
Gerundium
opleuken
Onvoltooid deelwoord
opleukend
Voltooid deelwoord
opgeleukt
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.