Vervoeging van opleggen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opleggen
to put on
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)leg op
Verleden tijd (ik)legde op
Voltooid deelwoordopgelegd
Volledige vervoeging van het werkwoord opleggen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik leg op
jij legt op (inversie: leg op jij)
u legt op
hij/zij/het legt op
wij leggen op
jullie leggen op
zij leggen op

Verleden tijd

ik legde op
jij legde op
u legde op
hij/zij/het legde op
wij legden op
jullie legden op
zij legden op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opleg
(dat) jij oplegt
(dat) u oplegt
(dat) hij/zij/het oplegt
(dat) wij opleggen
(dat) jullie opleggen
(dat) zij opleggen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik oplegde
(dat) jij oplegde
(dat) u oplegde
(dat) hij/zij/het oplegde
(dat) wij oplegden
(dat) jullie oplegden
(dat) zij oplegden

Gebiedende wijs

Imperatief

leg op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opleggen

Gerundium

opleggen

Onvoltooid deelwoord

opleggend

Voltooid deelwoord

opgelegd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.